HOME    Ga naar 2.2.
                                                                         

                                       2.1.  De verkeerde (dwang)behandeling


 

  Vanaf 1963 al  werden mij psychofarmaca voorgeschreven.

  In  1969 schreef de mij toen behandelende psychiater,  die ik in het vervolg met P. (van psychiater) zal aanduiden,  daarover aan een internist  van een  universiteitsziekenhuis dat de neuroleptica slechts een tijdelijke verandering of verbetering van mijn klachten teweegbrachten.
   In 1972 schreef hij aan een neuroloog van hetzelfde ziekenhuis dat ik allerlei klassieke belevenissen van de stoornis (schizofrenie),  die hij bij mij veronderstelde, feilloos opsomde.   Al voor de dwangopname, in 1970,  liet hij me meer dan eens weten:  "Dat jij zo goed weet wat er met je aan de hand is maakt het voor mij gemakkelijker om je te behandelen maar voor jou moeilijker".
   P. beschouwde  mij dus kennelijk als iemand met ziekte-inzicht.
   
  Vanaf 1963 tot aan de dwangopname had ik al vrijwel alle medicijnen geslikt zoals vermeld in de lijst onder 5.  
 
   In 1970  verbleef ik vijf weken op een interne afdeling van bovengenoemd academisch ziekenhuis omdat ik als gevolg van een vetrijk (Atkinson) dieet,  in verband met de hyperlipemie waaraan ik leed, sterk vermagerd was. Tijdens dat verblijf  merkte ik dat het met minder psychofarmaca zeker niet slechter ging.
 
   Na ontslag gaf ik P. te kennen dat ik nog wel poliklinisch met hem contact wilde blijven houden maar niet meer in zijn psychiatrisch ziekenhuis wilde terugkeren.            
   Ik wilde naar huis om daar, volgens een schema dat P. aanvankelijk ook goedkeurde, de medicatie af te bouwen.  Uiteindelijk  leidde echter  de pressie van P. op mij, mijn  familie en huisarts, om terug te keren naar de inrichting tot de vermelde dwangopname.

   Vijf jaar later slaagde ik er,  binnen een jaar en onder veel moeilijker omstandigheden,  wél  in volledig van de medicijnen af te komen.  Ik  werd toen niet meer gehinderd door de  "inzichten"  van   P.

   De dwangbehandeling in  kwestie,  een zogenaamde trilafonkuur, onderging ik als een buitengewoon krankzinnige,  weerzinwekkende en zinloze marteling die,  naar  lichaam en geest,  ook zeer destructief was.  Zij brak me volledig,  leidde tot volledig verlies van identiteit,  en  had  jarenlange, vaak zware hoofdpijn,  tot gevolg.  
   Aan het begin van deze  "kuur"  werden  alle andere medicijnen in een keer weggelaten
hetgeen tot de meest afschuwelijke onthoudingsverschijnselen leidde.  
   Na het spuiten werd ik nog enige tijd gedwongen hoge doses trilafon te slikken.
   In die periode legde  P. dan nog,  in mijn bijzijn, aan stage lopende artsen-in-opleiding uit waar het allemaal goed voor zou zijn wat hij deed.  En dat maakte de vernedering nog groter.
     
   Mijn weerstand - omdat ze niet hielpen -  tegen het slikken van de medicijnen die hij mij voorschreef,  was naar de   "inzichten"   van  P.  - zo denk ik ook nu nog -  het gevolg van de  "geestesziekte/psychose"  die hij mij had toegeschreven.
   De  trilafonkuur diende - een andere betekenis heb ik er nooit aan toe kunnen kennen - om mij in het (zijn) gareel te houden.  De "kuur"  was als een afstraffing voor het feit dat ik me tegen zijn  inzichten verzette.  (Voor vergelijkbare doeleinden werden,  zeker in het verleden,  ook wel elektroshocks toegepast.)
   Ze had geen enkele medische waarde.  Integendeel, ze was zeer beschadigend en dat zou ook later bevestigd worden.

   Kort voor de machtiging heb ik  P. enkele keren bezocht en hem duidelijk gemaakt dat ik de medicijnen wilde afbouwen en evenzo dat ik nog wel poliklinisch met hem in contact wilde blijven maar niet meer in de inrichting wilde verblijven.  Zorgmijder was ik toen dus zeker niet!
   Tijdens een van die bezoeken,  waarbij ik vergezeld was van een familielid, oefende hij  zeer grote druk op mij uit om terug te keren naar de inrichting.  
   Toen hij daarbij bij mij op - even grote - weerstand stuitte  gaf  hij op een gegeven ogenblik,  met de uitdrukking  "Ik zie het!",  aan  hoezeer hij de noodzaak om mij verder aan zijn   "deskundigheid"  te onderwerpen aanwezig achtte.
   Omdat ook dit mij niet van standpunt deed veranderen moest ik mij verwijderen zodat hij ook het familielid,  zonder dat ik kon tegenspreken, van zijn visie kon overtuigen.  Hij vond dat vanwege de autoriteit die hij zich aanmat of die hij zich verleend achtte kennelijk de gewoonste zaak van de wereld.  
     
   Ik  zag  "het"   niet alleen  maar voelde  "het"  ook.   Ik  beoordeelde "het” echter geheel anders en naar achteraf  bleek ook veel juister.
   Want de  inzichten die P. zich toedichtte toen hij zei  "Ik zie het"  bleken  op voor mij rampzalige  misvattingen te berusten.  
   Zijn handelen leek mij er geheel op gericht de dwangopname erdoor te krijgen.  

   P.  maakte altijd notities van de gesprekken die ik met hem had,  zo ook van dat welk kort voor de dwangopname plaatsvond,  toen ik hem zei de medicatie te willen afbouwen.
   Na de machtiginging kwam hij,  naar aanleiding van de dwangbehandeling,  eens als volgt op deze aantekeningen terug toen hij zei:  "Hier staat het,  je hebt gezegd dat je geen medicijnen meer wou innemen".
   Vooral deze uitlating was voor mij het bewijs dat hij het feit,  dat ik meende het zonder medicijnen te kunnen,  zag als symptoom van mijn geestesziekte.
   Ik wilde ze echter afbouwen en niet in  een keer weglaten.  Degene die mij wél, onder dwang,  in een keer alle medicatie onthield was P.  zelf, zoals ik al vermeldde, en dat bracht afschuwelijke abstinentieverschijnselen met zich mee.

    Na de dwangopname merkte ik dat mijn privéspullen waren ingekeken waaronder zakagenda's.  Deze bewaarde ik tezamen met persoonlijke gegevens van iemand met wie ik ooit een relatie had.  
    Over deze zaken schreef ik nog ooit een brief aan de voormalig geneesheer-directeur van de inrichting.
    In zijn reactie stond onder meer dat,  zoals ik het beschreef,  hij  nooit gewild had dat psychiatrie bedreven werd.  Mijn weergave van bepaalde gebeurtenissen weerleggen  heeft hij nooit gedaan of gekund.
    De psychiatrie is er vanwege voorvallen als deze vaak zelf verantwoordelijk voor dat mensen achterdochtig worden.
   
    Het was voor mij, ook na de dwangopname,  in de praktijk vrijwel onmogelijk om van P. af te komen en bij een ander onder behandeling te komen.  
    Door alle gebeurtenissen voor,  tijdens en na de dwangopname kreeg  ik het gevoel dat ik eigenlijk een soort persoonlijk bezit van hem was hetgeen ik als zeer bedreigend onderging.
    Hij  bemoeide zich ook met  allerhande zaken die hem,  mijns inziens, in het geheel niets aangingen en die met mijn ziekte niets te maken hadden.  
    Toen ik hem al tijdens de dwangperiode te kennen gaf dat ik een advocaat wilde moest dat geregeld worden via zijn secretaresse.  Hij schreef mij ook voor, naar aanleiding van een erfeniskwestie,  naar wie in mijn familie ik zou moeten luisteren.
    Zijn inmenging in deze zaken had in elk geval  niets te maken met de ziekte waaraan hij veronderstelde dat ik zou lijden.
    Er zijn zaken die nooit iets te maken hebben met welke ziekte dan ook en waarvan psychiaters zich verre zouden moeten houden.

    Naar aanleiding van de dwangbehandeling maakte P.  naderhand ooit de opmerking dat zachte heelmeesters stinkende wonden maken.  Het allerlaatste wat ik ooit aan deze behandeling ervaren heb is wel dat zij iets geheeld zou hebben; wonden heb ik er zeker wel aan overgehouden.
 
    In hoofdzaak omdat P.  de hyperlipemie niet had uitgesloten als mogelijke oorzaak van mijn klachten en vanwege de dwangbehandeling diende ik in 1985 een klacht in bij het regionaal en in 1986 - in beroep - bij het Centraal Medische Tuchtcollege. (Zie ook onder 4. Ervaringen etc.)  
 
    In zijn verweer bij dit laatste college schetst P.  van mij een beeld als van iemand die - en dat werd ook voorgesteld als deel uitmakend van mijn ziekte - voortdurend zijn pogingen om  mij te genezen tegenwerkte omdat ik vaak om andere medicatie vroeg.  (Waarom zou iemand dat nou doen?)

 
    Ondanks alle specialistische kennis die hij bij zichzelf aanwezig achtte begreep hij in het geheel niets van de symptomen waaraan ik leed en hij wou niet inzien,  of was hij niet bij machte toe te geven,  dat zijn  medicijnen niet hielpen.
    Hij schrijft verder dat ik  “door de hele geschiedenis heen”   “altijd”  mijn klachten gesomatiseerd zou hebben.
    (In 1972 schrijft hij al aan een neuroloog van een universiteitsziekenhuis dat ik de symptomen van de ziekte, die hij bij mij veronderstelt,  feilloos opsom maar toeschrijf aan een mogelijk organisch lijden dat nog niemand bij mij ontdekt heeft.)
    P.  schreef  in zijn verweer  eveneens dat,  volgens de internist van  het academisch ziekenhuis, de symptomen waaraan ik leed niet werden veroorzaakt door de lichte vorm van de hyperlipemie waaraan ik leed.
    Omdat ik daar  jaren lang voor behandeld zou zijn  liet hij het tuchtcollege weten  “dat het een aperte onjuistheid van mij zou zijn om te schrijven dat er met deze (lichte) stoornis geen rekening gehouden zou zijn!”

    Er worden jaarlijks talloze mensen opgenomen in ziekenhuizen met onbekende verschijnselen als gevolg van langdurig pillengebruik.
    In verband met dat laatste was het dus misschien wel niet zo vreemd dat de internist de symptomen waaraan ik leed niet goed kon thuisbrengen.
     P.  wees mij  er vaak op dat ik mij  niet achter mijn ziekte zou moeten verschuilen. (Voor mij was dat een van de vele redenen waaruit ik opmaakte dat hij niets van mijn ziek zijn begreep.)  Daarom zou ik mogen aannemen dat hijzelf zich niet achter uitspraken van de internist verschool.    
     Maar zelfs als P.  dit niet zou doen,  dan kan ik in verband met het volgende zijn visie toch niet delen.  (Ga door naar 2.2)


                                                                                                                      HOME     Ga naar 2.2.