HOME
                                 
             
                   
            4.  Ervaringen bij streven naar eerherstel en schadeloosstelling.


   Klachten die ik,  eerst bij een regionaal en later bij het Centraal Medisch Tuchtcollege,  indiende  omdat  de hyperlipemie door P.  niet werd uitgesloten als oorzaak van mijn  ziekte en vanwege de dwangbehandeling werden afgewezen.
 
   Ik ben door de tuchtcolleges nooit gehoord noch iemand die mij vertegenwoordigde.
  Stukken waaruit zou blijken dat de dwangbehandeling mij ooit enig voordeel zou hebben gebracht heb ik nooit onder ogen gekregen,  ook niet toen ik het instituut waar deze behandeling plaatsvond daarvoor in 1986 bezocht, en ik er de geneesheer-directeur expliciet om vroeg.  
   Zij zijn evenmin ooit een van de advocaten,  die ik in de loop der tijd heb gehad,  ter hand gesteld.
   Of de rechtbank ooit dergelijke stukken van  P. gehad heeft is mij ook niet bekend.  Hij zei mij ooit de behandeling te moeten rechtvaardigen.  Hoe hem dat gelukt is begrijp ik nog steeds niet. 
   Niet gehoord worden is in strijd met het eerlijk procesbeginsel.  Niet  ter beschikking stellen van stukken is in strijd met het beginsel van  gelijkheid van wapens.
   De voorlaatste advocaat die ik had schreef mij in 1992:  Men kan zich afvragen of de procedure,  zoals u die ook hebt meegemaakt  - het ging hierbij over de gang van zaken bij de medische  tuchtcolleges - mensenrechtelijk aanvaardbaar is.

   De argumenten  waarvan P.  zich,  in zijn schrifteljk verweer  bij het Centraal Medisch Tuchtcollege,  bediende heb ik in onder 2.  al  grotendeels weergegeven.
   Het nut van de dwangbehandeling is mij,  zoals ik al heb opgemerkt,  ook daar niet duidelijk uit geworden.
  
   In totaal heb ik vijf betaalde advocaten gehad.
   Met de voorlaatste brak ik in 1992 omdat een kort geding tegen  de Staat de Nederlanden en de voorzitter van het Centraal  Medisch Tuchtcollge in dat jaar uiteindelijk, onder meer vanwege het niet ter beschikking stellen van stukken,  toch niet doorging.  (De volledige tekst van deze kort geding dagvaarding heb ik nog steeds in mijn bezit.)
 
   In 1995 kreeg ik,  als laatste,  een advocaat-arts toegewezen.
   Deze liet mij tot mijn bevreemding weten mijn vorige advocaat telefonisch opmerkingen te willen ontlokken om te proberen haar  aansprakelijk te stellen.
   In een brief laat hij mij vervolgens -  wat ik al had verwacht - weten dat deze pogingen zonder resultaat zijn gebleven.
   Hij deelt mij dan eveneens mee de schriftelijke verklaring van mijn huisarts, die wat het aantal woorden betreft,  nauwelijks verschilt van de “geneeskundige” verklaring die tot de machtiging leidde,  te summier te vinden.  (Op de inhoud van deze laatste was ook nog veel af te dingen,  op de verklaring van miijn huisarts mijns inziens niets.)
   Juist vanwege deze verklaring van mijn huisarts stond ik er aanvankelijk volgens hem zo goed voor!
   In dezelfde brief  verwijst hij  ook naar de uitspraak van  het Centraal Medisch Tuchtcollege dat vond dat P.  niet tekort geschoten was.
   Indien hem  werkelijk iets aan mijn recht gelegen zou zijn geweest  zou hij toch zeker ook contact opgenomen hebben met mijn huisarts om alle informatie in te winnen die hij nodig zou achten.
   Ik denk dat hij deze al bij voorbaat onnodig vond en daarom lijkt mij zijn bewering dat  de verklaring van mijn huisarts te summier te zou zijn dan ook een drogreden.
   Overigens was er toen al ook een second opinion van een psychiater volgens welke er bij mij geen sprake was van schizofrenie. (Zie ook 3.)

   Indien mijn huisarts gelijk heeft met zijn verklaring moet het medisch tuchtcollege ongelijk hebben.  Want de bewering van dit college dat een organische oorzaak terecht werd uitgesloten als mogelijke oorzaak is dan onjuist.
   Hoewel de waarheid in deze voor mij natuurlijk van het allergrootste belang was vond hij het kennelijk niet de moeite  waard om deze uit te zoeken!
   Ik weet dat rechtshulpverleners soms de advocaat van de duivel (moeten) spelen maar van advocaten die datgene,  wat in zo belangrijke mate voor hun cliŽnt pleit,  zomaar naast zich neer leggen had ik nog nooit gehoord.  Ik wist niet dat dat kon en mocht.

   Niet lang na mijn negatieve ervaringen met deze advocaat-arts ontdekte ik dat hij ook psychiaters onder zijn cliŽntŤle had.

   Aan de  advocaten die ik heb geraadpleegd heb ik om uiteenlopende redenen - het lag daarbij niet altijd aan hen - vrijwel niets gehad. 

   In  1995  zond ik  nog een brief,  met de verklaring van mijn huisarts,  aan het Centraal Medisch Tuchtcollege.  Uit het antwoord dat ik ontving bleek dat dit college niet kon ingaan op mijn verzoek om mijn zaak te herzien.

   In  1996  zond ik vanwege mijn negatieve ervaringen in verband met het functioneren van de rechtsstaat  een brief aan de toenmalige minister van Volksgezondheid mevrouw Borst.
   (In  haar reactie schreef zij  mij  onder meer,  zie onder 7.,  dat ik  het vermoeden had gekregen dat  de hyperlipemie verantwoordelijk was voor mijn klachten.  Zij bestreed mijn opvattingen in deze dus niet.)
    In 1997 richtte ik nog een brief aan voormalig PvdA-kamerlid Oudkerk,  prominent lid van deze partij voor sociale rechtvaardigheid.
    Onder  "7. Reacties van  politici"  staan de antwoorden die ik van  deze politici  ontving.

    Omdat al mijn inspanningen tot dan toe niets hadden opgeleverd zond ik in 1998  mijn dossier nog  naar een PvdA-kopstuk van de  gemeente waarin ik woon omdat ik begrepen had dat zij zich voor mijn zaak zou willen inzetten.  Later vernam ik dat zij ziek geworden zou zijn en de politiek vaarwel had gezegd.  In  2002 kreeg ik berichten van  PvdA dat mijn dossier,  dat zeer vertrouwelijke gegevens bevatte,  zoek was!  Ik raakte daardoor dus nog verder van huis!  Het heeft mij zeer veel moeite gekost te achterhalen wat er mee gebeurd zou zijn.
   Van de PvdA had ik dus niets te verwachten.

   Opname in een psychiatrische inrichting drukt een stempel op mensen waar ze vaak hun leven niet meer vanaf komen.
   Dit stempel is voor anderen vaak de rechtvaardiging om geen  rekening meer met hen te hoeven houden. 

    Marijnissen (S.P)  zei op t.v.  ooit uit dat er in Afrika  een spreekwoord bestaat  dat - als ik het goed heb opgevangen - luidt:  Geef de hond een naam en  maak hem af.
    Dat betekent,  zo heb ik van hem begrepen,  dat je eerst iemand onbelangrijk moet verklaren om er daarna geen rekening meer mee te hoeven houden. 
    Hij scheen daar zelf ervaring mee te hebben  toen de S. P.  nog met een tweemansfractie  in de Tweede Kamer was en de grote politieke partijen hetzelfde met  hem deden.
    De S.P. heb ik,  via  de website van Marijnissen,  over mijn ervaringen in de psychiatrie  en over mijn  rechteloosheid geÔnformeerd.
    Ik kreeg het advies naar de rechter te stappen.  Maar daarvoor heb je natuurlijk eerst een advocaat nodig waar je iets aan hebt.  En die bleken er dus geen te zijn.  
 
    Groen Links heb ik mijn ervaringen voorgelegd en vragen gesteld via de publieksservice.
Zij werden doorgestuurd naar de afdeling  "Moeilijke vragen".  Ook daar heb ik nooit iets meer van gehoord.  Wellicht zijn zij terecht gekomen bij de afdeling  "Te moeilijke vragen".

    Ik ben tot de conclusie gekomen dat degenen die, terecht of onterecht, met de psychiatrie in aanraking komen of zijn geweest, er in onze samenleving in menig opzicht nauwelijks toe doen.
    Ze worden als  tweederangsburgers behandeld.
   
    Psychiater betekent letterlijk ziele-arts. Voor iemand die zich geroepen voelt de ziel van een ander te genezen  lijkt het mij noodzakelijk  dat hij  er op de eerste plaats voor zorgt dat zijn eigen ziel gezond is. 
    
    Gezien de zee van ellende die door een aantal vertegenwoordigers van de medische stand over mij is uitgestort en vanwege het feit dat vrijwel niemand zich geroepen voelen om daar iets aan te doen heb ik met deze beroepsgroep in zijn geheel  niet veel op.

    Prof.  Smalhout schreef  in 1993,  in een artikel in de Telegraaf met de kop: "Medisch Tuchtrecht dik onvoldoende" onder meer het volgende.
    Het medisch tuchtrecht in Nederland heeft onvoldoende mogelijkheden om blunderende medici te straffen.
    En ook:  er komen steeds meer zeer complexe zaken aan de orde waarop het medisch tuchtcollege veelal geen sluitend antwoord heeft.
    Voor die tijd sloeg Smalhout met zijn artikel mijns inziens de spijker op de kop.  En zo er na die tijd nog iets in positieve zin veranderd mocht zijn,  dan heb ik daar in elk geval nooit de vruchten van mogen plukken.

                                                                                                                     HOME